Wie in een huis van Gerrit Rietveld rondloopt, merkt al snel dat niets er toevallig is. Een raam staat precies waar het licht het mooist binnenvalt, een kast hoort bij de muur, een kamer loopt door in de volgende. Dat heeft alles te maken met de man zelf: een meubelmaker uit Utrecht die architect werd. In dit verhaal volgen we zijn leven en werk, van de werkplaats van zijn vader tot het Van Gogh Museum.
Een jeugd in de werkplaats
Gerrit Thomas Rietveld werd op 24 juni 1888 in Utrecht geboren, als zoon van meubelmaker Johannes Cornelis Rietveld en Elisabeth van der Horst. Volgens het Biografisch Woordenboek van Nederland was het geen gemakkelijke jeugd: zijn vader was ouderling in de gereformeerde kerk, een strenge en gelovige man, wiens strikte moraal zwaar op het gezin drukte. Direct na de lagere school ging Gerrit bij hem in de leer, in de meubelwerkplaats aan de Poortstraat. Hij werkte er van ’s ochtends vijf tot ’s avonds zeven, voor een dubbeltje in de week.
De massieve, historiserende meubels die daar werden gemaakt, verafschuwde hij. Toch ontstond juist daar zijn waardering voor het vakmanschap van de meubelmaker – een waardering die in al zijn latere werk terug te zien is. Hij hield het naar eigen zeggen vol omdat hij elke vrije minuut kon tekenen.
Zijn ambitie reikte verder. Hij werkte kort als tekenaar bij juwelier C.J. Begeer en volgde tussen 1904 en 1908 een avondcursus tekenen, proportie-, stijl- en ornamentleer. Rond 1910 kreeg hij les van architect en meubelontwerper P.J.C. Klaarhamer, een geestverwant van H.P. Berlage, bij wie hij kennismaakte met de nieuwste ontwikkelingen in de architectuur. In 1911 trouwde hij met Vrouwgien Hadders; zij kregen zes kinderen. In 1917 begon hij een eigen meubelmakerij aan de Adriaen van Ostadelaan in Utrecht.

De Stijl

Rietvelds sobere, strakke meubels vielen op. In 1919 vroeg de schilder Theo van Doesburg hem medewerker te worden van het tijdschrift De Stijl, dat Van Doesburg in 1917 met onder anderen architect J.J.P. Oud had opgericht. Rietvelds inhoudelijke bijdrage bleef beperkt, maar hij bleef tot het laatste nummer in 1932 officieel medewerker. Van schilders als Bart van der Leck en Piet Mondriaan nam hij het gebruik van primaire kleuren in combinatie met wit, zwart en grijs over. Via De Stijl leerde hij ook kunstenaars van de internationale avant-garde kennen, onder wie El Lissitzky, László Moholy-Nagy en Kurt Schwitters (Biografisch Woordenboek).
In die jaren groeide Rietveld van meubelmaker naar architect, via verbouwingen en interieurs. Dat soort opdrachten zou zijn hele loopbaan een belangrijk deel van zijn werk blijven.
De rood-blauwe stoel
Het meubel waarmee Rietveld zijn opvattingen het helderst liet zien, is een leunstoel uit 1918. De latten zijn met losse deuvels verbonden, zodat ze langs elkaar heen lopen in plaats van in elkaar te sluiten. Waar een traditionele stoel met lijnen en vlakken een ruimte afbakent, ontstaat zo een open structuur zonder ruimteomsluiting. De eerste uitvoering was ongeverfd; de gekleurde versie, die enkele jaren later ontstond, werd bekend als de rood-blauwe stoel en groeide uit tot een icoon van de twintigste-eeuwse meubelkunst (Biografisch Woordenboek). Het Centraal Museum in Utrecht, dat de meest omvangrijke Rietveld-collectie ter wereld beheert, heeft een exemplaar in de collectie: ontwerp 1918, in kleur uitgevoerd rond 1923–1925.
Elke ware schepping (…) verandert het inzicht, de eischen en de behoeften van den tijd.
Gerrit Rietveld in De Stijl, 1927, geciteerd in het Biografisch Woordenboek van Nederland
Het Schröderhuis, 1924
Zijn eerste volledige architectonische ontwerp dateert uit 1924: een woonhuis aan de Prins Hendriklaan in Utrecht, voor de jonge weduwe Truus Schröder-Schräder en haar drie kinderen. Het huis kwam in nauwe samenwerking met de opdrachtgeefster tot stand; het Rijksmonumentenregister noemt Rietveld en Schröder samen als ontwerpers, en het Rietveld Schröderhuis zelf schrijft dat haar rol groter was dan lang werd aangenomen. ‘Dit huis was ons kind,’ zei Schröder later.
Schröder trok er in januari 1925 in. Overdag was de verdieping één open, lichte ruimte; ’s avonds werd ze met schuifwanden opgedeeld in slaapvertrekken. Rietveld betrok de leden van De Stijl niet bij de bouw, maar het huis kreeg al snel internationale erkenning als architectonisch hoogtepunt van De Stijl. De buurt was minder enthousiast: een huis met zulke grote ramen, zonder vitrage, vonden veel mensen niks (Rietveld Schröderhuis).
Van 1926 tot 1933 zat Rietvelds architectenbureau in een kleine kamer op de begane grond. Zijn meubelwerkplaats droeg hij over aan medewerker Gerard van de Groenekan, die later onder meer de zigzagstoel uitvoerde (Centraal Museum). Het huis is sinds 1976 rijksmonument en staat sinds 2000 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Het is te bezoeken via het Centraal Museum.

De jaren dertig: bouwen voor velen
Vanaf eind jaren twintig richtte Rietveld zich op meubels en gebouwen die op industriële wijze konden worden gemaakt. De chauffeurswoning aan de Waldeck Pyrmontkade in Utrecht (1927–1928) noemt het Rijksmonumentenregister ‘een proeve voor industrialisering der bouw’: een garage met bovenwoning op een staalskelet, oorspronkelijk bekleed met zwart en wit geëmailleerde betonplaten.
In 1930–1931 ontwierp hij, in opdracht van en samen met Truus Schröder, een blok van vier woningen aan de Erasmuslaan, recht tegenover het Schröderhuis. Het register prijst de lichte kleurstelling, het vele glas en ‘de toepassing van de gedachte van het kernhuis en de variabele ruimte-indeling door middel van schuifwanden’. Het register noemt het blok een representatief voorbeeld van de Nederlandse bijdrage aan het Nieuwe Bouwen.

Ook in zijn meubels zocht Rietveld naar eenvoud die betaalbaar kon zijn. De zigzagstoel (rond 1932) maakt volgens het Centraal Museum deel uit van zijn pogingen een stoel machinaal uit één plaat materiaal te maken, wat de kosten aanzienlijk zou verminderen. Na proeven met fiber, multiplex en metalen buis bleek een constructie van vier houten planken met zwaluwstaartverbindingen sterk genoeg. In 1934 tekende hij zijn kratmeubelen.
Rietveld publiceerde in tijdschriften als i10 en De 8 en Opbouw en sloot aan bij de architecten van het Nieuwe Bouwen. Van de vele woningen – particuliere huizen én sociale woningbouw – die hij in de jaren dertig ontwierp, werd slechts een deel gebouwd (Biografisch Woordenboek).


Oorlog en het zomerhuis aan de plassen
In 1940–1941 bouwde Rietveld voor prof. dr. G.M. Verrijn Stuart een houten zomerhuis op een betonnen vlonder tussen twee smalle eilandjes bij de Loosdrechtse Plassen: De Braamakkers, met een waaiervormige plattegrond en een asymmetrisch rieten dak (Rijksmonumentenregister). Het huis is nu te koop via Redres.
De bezetting was ook voor Rietveld een moeilijke tijd. Omdat hij zich niet bij de Kultuurkamer had aangemeld, werd het hem in 1942 verboden zijn beroep uit te oefenen. Hij bleef wel ontwerpen en was actief in de illegaliteit. Drie van zijn zoons zaten in kampen gevangen; zijn oudste dochter keerde in 1947 terug uit een Japans interneringskamp (Biografisch Woordenboek).

Na de oorlog: bungalows, paviljoens en woonhuizen
Na de bevrijding bleven opdrachten eerst uit. Een nieuwe generatie architecten, zoals Aldo van Eyck en Jaap Bakema, liet van zich horen, en Rietveld voorzag deels in zijn levensonderhoud door les te geven aan academies in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Arnhem. De belangstelling van musea voor De Stijl in de jaren vijftig bracht een kentering. Hij ontwierp het Nederlands Paviljoen voor de Biënnale van Venetië (1953/54), de Julianahal van de Jaarbeurs in Utrecht (1953–1956), textielfabriek Weverij De Ploeg in Bergeijk (1954–1958) en grote woningbouwprojecten in Utrecht en Reeuwijk (Biografisch Woordenboek).
Daarnaast bouwde hij voor particulieren een reeks bijzondere woonhuizen. In Bergeijk ontstond in 1955–1956 het huis van meubelontwerper en kunstverzamelaar Martin Visser, een bungalow in een bosrijke omgeving, gebouwd met een beperkt budget (Rijksmonumentenregister). In 1963 ontwierp Rietveld in Laren een gelijkvloerse bungalow rond een patio voor de jurist Anton A. Bosschaert, die na zijn dood in 1967 werd voltooid (objectpagina Redres).

Woonhuis Bosschaert in Laren is gebouwd rond een patio die vanuit vrijwel elke kamer zichtbaar is. Gevels van wit en zwart geglazuurde baksteen, zwarte stalen kozijnen, een zwevende haard in de woonkamer (objectpagina Redres).
Het is een van de laatste woonhuizen die Rietveld ontwierp, en het werd verkocht via Redres.
De Rietveld Academie
Een van Rietvelds langste projecten was het gebouw voor het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam. Hij ontwierp het tussen 1950 en 1963; het kwam gereed in 1966 en is het grootste gebouw dat hij heeft verwezenlijkt. De oplevering maakte hij niet meer mee. In 1967 betrok de school het gebouw, en toen zij in 1968 de status van Academie voor Beeldende Kunst en Vormgeving kreeg, werd zij als eerbetoon herdoopt tot Gerrit Rietveld Academie (Gerrit Rietveld Academie).

Het Van Gogh Museum
In 1963 kreeg het bureau Rietveld, Van Dillen en Van Tricht – een maatschap die Rietveld in 1961 met twee medewerkers had opgericht – van de Rijksgebouwendienst de opdracht voor een museum voor de collectie van Vincent van Gogh. Rietveld ontwierp het hoofdgebouw in 1963–1964. Na zijn overlijden werkten Joan van Dillen en, na diens dood in 1966, J. van Tricht het ontwerp verder uit. Het museum aan de Paulus Potterstraat werd op 2 juni 1973 geopend (Van Gogh Museum; Gemeente Amsterdam). Volgens het museum is Rietvelds visie nog goed te zien in het trappenhuis in de centrale hal, waar het daglicht door een hoge vide naar binnen valt.


1964: een eindstation
In 1964 ontving Rietveld een eredoctoraat van de Technische Hogeschool Delft. De erkenning benauwde hem, schrijft het Biografisch Woordenboek: ze gaf hem het gevoel ‘op een eindstation te staan’, terwijl hij veel verder wilde. Een voorstel om ter ere van zijn loopbaan een buste te maken wees hij resoluut af: ‘Ik ben geen figuur voor zo iets. Zo’n kop op een voetstukje, neen niet van mij.’
Na de dood van zijn vrouw in 1957 was hij met Truus Schröder in het huis aan de Prins Hendriklaan gaan wonen. Daar overleed hij op 25 juni 1964, de dag na zijn 76ste verjaardag. Zijn medewerkers maakten de lopende opdrachten af.




Wat Rietveld betekent
Rietveld liet volgens het Biografisch Woordenboek honderden gebouwen na, tientallen meubels en een schat aan ontwerpen, maquettes en documentatie. Zijn archief wordt bewaard door Het Nieuwe Instituut; het Rietveld Schröderarchief is in het Centraal Museum. Hij stond bekend als vriendelijk en innemend, hechtte weinig aan bezit en was ongevoelig voor uiterlijk vertoon – een soberheid die zijn werk kenmerkt.
Voor ons, als makelaar in erfgoed en architectuur, zit zijn betekenis vooral in het gewone leven in zijn huizen. Wie vandaag in een Rietveld woont, leeft met zijn ideeën over licht, ruimte en eenvoud: met een venster dat de ochtend binnenlaat, een bank die bij de muur hoort, een kamer die opengaat naar de tuin of het water. Dat is geen museumstuk, maar een manier van wonen. Meer over die huizen leest u op de pagina De Rietveldhuizen.
