Een meubelmaker in Utrecht
Gerrit Thomas Rietveld werd op 24 juni 1888 in Utrecht geboren, als zoon van de meubelmaker Johannes Cornelis Rietveld. Direct na de lagere school ging hij bij zijn vader in de leer, in een werkplaats aan de Poortstraat waar massieve meubels in historiserende stijl werden gemaakt. Volgens het Biografisch Woordenboek van Nederland verafschuwde hij die meubels, maar ontstond daar wel zijn waardering voor het vakmanschap van de meubelmaker.
Hij werkte kort als tekenaar bij juwelier C.J. Begeer, volgde tussen 1904 en 1908 een avondcursus tekenen, proportie-, stijl- en ornamentleer, en kreeg rond 1910 les van architect en meubelontwerper P.J.C. Klaarhamer, een geestverwant van H.P. Berlage. In 1917 begon hij een eigen meubelmakerij aan de Adriaen van Ostadelaan in Utrecht.

Een stoel als ruimte
Met een leunstoel uit 1918 liet Rietveld zien hoe hij over vormgeving dacht. De latten zijn met losse deuvels verbonden, zodat ze langs elkaar heen lopen in plaats van in elkaar te sluiten. Waar een traditionele stoel een ruimte afbakent, ontstaat zo een open structuur zonder ruimteomsluiting. De gekleurde versie, enkele jaren later, werd bekend als de rood-blauwe stoel; het Centraal Museum heeft haar in de collectie.
In 1919 vroeg Theo van Doesburg hem medewerker te worden van het tijdschrift De Stijl; Rietveld bleef dat officieel tot het laatste nummer in 1932. Van schilders als Bart van der Leck en Piet Mondriaan nam hij het gebruik van primaire kleuren met wit, zwart en grijs over, en via De Stijl leerde hij kunstenaars als El Lissitzky, László Moholy-Nagy en Kurt Schwitters kennen (Biografisch Woordenboek).
Elke ware schepping (…) verandert het inzicht, de eischen en de behoeften van den tijd.
Gerrit Rietveld in De Stijl, 1927, geciteerd in het Biografisch Woordenboek van Nederland
Het huis aan de Prins Hendriklaan
Tussen 1919 en 1924 groeide Rietveld van meubelmaker naar architect, via verbouwingen en interieurs. Zijn eerste volledige architectonische ontwerp is uit 1924: een woning aan de Prins Hendriklaan in Utrecht voor Truus Schröder-Schräder en haar drie kinderen, in nauwe samenwerking met haar ontworpen. Het Centraal Museum schrijft het huis toe aan Rietveld én Schröder. Van 1926 tot 1933 zat Rietvelds bureau in een kleine kamer op de begane grond van het huis. Zijn meubelwerkplaats droeg hij over aan zijn medewerker Gerard van de Groenekan – dezelfde Van de Groenekan die later de vaste kasten, banken en tafels van De Braamakkers uitvoerde (objectpagina Redres).
Sinds 2000 staat het Rietveld Schröderhuis op de Werelderfgoedlijst van UNESCO; het is te bezoeken als museum van het Centraal Museum. Wij tonen er hier bewust geen beelden van.
Eenvoud als overtuiging
Het Biografisch Woordenboek beschrijft het Schröderhuis als ontworpen vanuit Rietvelds overtuiging dat eenvoud en bewustwording de leidraad van het leven vormen. Hij zag zintuiglijke waarneming als het instrument daartoe, en kunst en architectuur als de ervaring van werkelijkheid; dat proces droeg volgens hem bij tot levensvreugde. Zelf hechtte hij weinig aan materiële zaken en bezat hij alleen het hoogst noodzakelijke.


Nieuwe Bouwen en de oorlogsjaren
Vanaf eind jaren twintig ontwierp Rietveld meubels en gebouwen die industrieel konden worden gemaakt. Hij publiceerde in i10 en De 8 en Opbouw en sloot aan bij de architecten van het Nieuwe Bouwen. Van zijn vele ontwerpen voor woningen in de jaren dertig werd slechts een deel gebouwd.
De Braamakkers ontstond in 1940–1941. Omdat Rietveld zich niet bij de Kultuurkamer had aangemeld, werd het hem in 1942 verboden zijn beroep uit te oefenen; hij bleef wel ontwerpen en was actief in de illegaliteit (Biografisch Woordenboek). Het zomerhuis, met zijn haardwand van misbaksels, hoort bij die jaren.

Het late werk
Na de oorlog bleven opdrachten eerst uit; Rietveld gaf les aan academies in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Arnhem. In de jaren vijftig kwamen de grote opdrachten: het Nederlands Paviljoen op de Biënnale van Venetië (1953/54), de Julianahal van de Jaarbeurs in Utrecht (1953–1956), Weverij De Ploeg in Bergeijk (1954–1958), woningbouw in Utrecht en Reeuwijk en het Rijksmuseum Vincent van Gogh in Amsterdam (1963–1973). In 1961 richtte hij met twee medewerkers de maatschap Rietveld, Van Dillen en Van Tricht op.
In 1964 kreeg hij een eredoctoraat van de Technische Hogeschool Delft. Een voorstel om een buste van hem te maken wees hij dat jaar af: ‘Ik ben geen figuur voor zo iets.’ Rietveld overleed op 25 juni 1964 in het Rietveld Schröderhuis, de dag na zijn 76ste verjaardag. Zijn medewerkers werkten de lopende opdrachten af – waaronder, volgens de objectpagina, Woonhuis Bosschaert in Laren, opgeleverd in 1967.

Woonhuis Bosschaert (ontwerp 1963) is een gelijkvloerse bungalow rond een patio, met glazen gevels naar het groen. De Braamakkers (1940–1941) is een houten zomerhuis met rieten kap op een vlonder in de plassen, met een waaiervormige plattegrond die zich opent naar het water.
Twee huizen uit verschillende fasen van één loopbaan: het ene uit de eerste oorlogsjaren, het andere uit Rietvelds laatste levensjaar.
Rietvelds erfenis omvat volgens het Biografisch Woordenboek honderden gebouwen, tientallen meubelen en een schat aan ontwerpen, maquettes en documentatie. Het archief wordt beheerd door Het Nieuwe Instituut; het Rietveld Schröder Archief is in het Centraal Museum.



